Follow me:

Boekrecensie: ‘Magdalena’ van Maarten ’t Hart

Mijn vader wou een motorfiets kopen. “Nergens voor nodig”, zei mijn moeder. “Als hij een motorfiets heeft, rijdt hij de dijk uit, en ben je hem zo kwijt.” Waarom mijn vader smachtte naar een motorfiets, was haar volstrekt duidelijk: daarmee zou hij niet alleen vliegensvlug naar een andere vrouw kunnen rijden, maar mijn moeder zou hem op haar Fongers ook niet kunnen bijhouden of volgen. Dus zo’n motorfiets – geen sprake van.”

‘Magdalena’ is mijn eerste kennismaking met het werk van Maarten ’t Hart. Op mijn (reformatorische) middelbare school werden we met klem geadviseerd om ons verre te houden van zijn boeken; later heb ik nooit de behoefte gehad om bewust zijn werk op te zoeken. Maar nadat ‘Magdalena’ mij van diverse kanten aangeraden werd, heb ik mij toch laten vermurwen om eens een boek van ’t Hart te lezen.

Dit zegt Bol.com
‘Na mijn dood,’ zei de moeder van Maarten ’t Hart vaak, ‘kun je over me schrijven wat je wilt, maar spaar me zolang ik leef.’ Daarom heeft ’t Hart in zijn werk zijn moeder zo veel mogelijk uit het zicht gehouden, waardoor een enigszins vertekend beeld van zijn jeugd ontstond. Nu zijn moeder in 2012 is overleden, kan Maarten ’t Hart alsnog de wonderlijke eigenaardigheden en de onwrikbare, rotsvaste zekerheid des geloofs van zijn moeder aan een nader onderzoek onderwerpen, aldus een leemte in zijn autobiografie opvullend.

De moeder (gestorven in 2012) van Maarten ’t Hart (1944) groeide op in Maasland in een streng gereformeerd gezin, trouwde met de streng gereformeerde grafdelver ’t Hart en hertrouwde met haar jeugdliefde. Het strenge geloof (alles is zondig), haar wantrouwen, haar angsten, haar jaloezie, koppigheid, haar afkeer van veranderingen (’geen denken aan’, was haar adagium) bepaalden haar levensgang. Ze werd beheerst door de vermeende ontrouw van haar echtgenoten. Ondanks haar kuren had Maarten ‘t Hart een sterke band met haar. In gesprekken bespreekt hij met haar geloofszaken en (de eigenaardigheden van) haar gezins- en familieleden, die soms een komisch effect hebben.

Dit vind ik
Veel dingen in het boek zijn erg herkenbaar. Met name de manier waarop het kerkelijke leven er aan toe gaat, de discussies over het geloofsleven en het ‘doen omdat het zo hoort’ is blijkbaar van alle tijden. Vaak is het boek zelfs hilarisch en luchtig beschreven, zeker als het gaat om de eindeloze verdachtmakingen van ’t Harts moeder richting haar vermeend ontrouwe echtgenoot. Zoals de conversatie tussen Maarten en zijn moeder, over een zonnige dag waarop zijn moeder koffie brengt bij haar man, die grafdelver van beroep was.

“Opeens begon ik de bibberen en te beven, en ik keek tegen die zon in, en al zag ik dan bijna niks, ik zag toch dat je vader op de derde klas tussen de stenen door naar dat nieuwe graf liep en daar toen neerhurkte en het luik op dat graf eventjes optilde. Hij hurkte met z’n rug naar me toe, maar ik kon toch zien dat hij iets prevelde, dat zag ik omdat z’n hoofd een beetje bewoog, hij prevelde iets, en schoof toen dat luik weer op z’n plek. Nou, wat denk je?!”
Mij was duidelijk wat mijn moeder veronderstelde.
“Wat ik denk? Ik denk niks, maar ik weet heus wel wat jij toen dacht.”
“Nou, wat dan?”
“Dat hij daar in dat graf een vrouw had verstopt.”
“Een vrouw? Een vrouw,” stoof mijn moeder op. “Niks geen vrouw, hij had daar zolang een mokkel gestald”.
“In een nieuw graf? Met het luik er op?”
“Honderd procent zeker. Onderin bivakkeerde daar een mokkel. Want toen hij dat luik had teruggelegd, kwam hij teruglopen en dronken we koffie, en na het eerste bakje moest hij weer zo nodig naar dat graf toe, en weer lichtte hij dat luik een beetje op – ik snap best waarom. Hij moest dat mokkel een beetje gerusststellen, je zal daar zolang in een graf gestald worden, daar ben je echt niet blij mee.” (…)
“En waar was haar fiets dan?”
“Die hadden ze ook in dat graf laten zakken, (…) elke keer als hij dat luik optilde, zag ik de fietsbel glinsteren.”

Waar het boek op deze punten nog hilarisch is en ook makkelijk wegleest, des te teleurstellender is de (aanvankelijk ingehouden) frustratie die Maarten ’t Hart in dit boek toont richting het christelijk geloof. ’t Hart staat hier natuurlijk ook om bekend en dit zal ook de reden geweest zijn dat ’t Harts boeken op school radicaal werden afgewezen.
Het lijkt alsof ’t Hart gedurende het hele boek zijn kerkverlating wil verdedigen. Het is alsof hij voortdurend zichzelf wil overtuigen dat hij er goed aan gedaan heeft om te breken met de kerk en het geloof. ’t Hart is als een klein kind dat vecht tegen de slaap, maar voortdurend schreeuwt ‘ik ben niet moe, ik ben niet moe!’. Mij bekruipt het gevoel dat hij ergens toch onzeker is over zijn atheïstische levenskeuze en dit op deze manier wil overschreeuwen.

Het lijkt alsof ’t Hart gedurende het schrijven van het boek zich steeds in moet houden om niet alle haat en woede richting de kerk in één keer te laten stromen, maar dit niet meer kan stoppen tijdens de erg kinderachtige bespreking van de Apostolische Geloofsbelijdenis in het laatste hoofdstuk. Ik citeer:

Geef ons heden ons dagelijks brood. (…) Waarom juist brood? Veel zetmeel, dus dikmakend, weinig vitamines, dus niet erg zinvol met het oog op de gezondheid. Veel beter zou zijn: geef ons heden ons dagelijkse stronkje broccoli.

Als ik dit lees, vraag ik me serieus af of er überhaupt een redacteur naar dit boek gekeken heeft, of dat het klakkeloos gedrukt is ‘omdat Maarten ’t Hart toch wel verkoopt’.

En na het dichtklappen van het boek, staat voor mij als een paal boven water dat dit het eerste en tevens het laatste boek van Maarten ’t Hart is dat ik ooit lees. Voor zoveel haatdragendheid heb ik in mijn boekenkast geen plaats!

 

Previous Post Next Post

You may also like

No Comments

Leave a Reply

CommentLuv badge